E-business-structuur
De strategische e-business-taken voor de gehele groep worden centraal in het hoofdkwartier in het Nederlandse Varsseveld uitgevoerd. Kramp heeft sterke groeiambities en dat vereist goede interne processen. e-business en IT zijn dan ook sterk geconsolideerd en heel wat processen zijn geautomatiseerd. De systemen zijn geïntegreerd en werken in realtime. Zo integreerde Kramp het ordermanagementsysteem CDC Software en het productinformatiemanagementsysteem Heiler met de WebSphere Commerce-oplossing.
Thomas Weidemann: “De prijszetting gebeurt bijvoorbeeld in ons ordermanagementsysteem. We geven regelmatig kortingen en voeren promoties. Het is belangrijk dat de klant die via de webshop een bestelling plaatst dezelfde prijs krijgt als een klant die telefonisch contact opneemt en waarbij het order onmiddellijk in het ordermanagementsysteem wordt ingeboekt en automatisch verwerkt wordt tot aan de uitlevering.”
Kramp heeft een e-businessteam opgericht dat zowel bestaat uit marketingmedewerkers, IT-ontwikkelaars, business owners als medewerkers uit het product-contentteam. Het team telt in totaal negentien medewerkers. “Die multifunctionele samenstelling van het team is echt een troef”, aldus Thomas Weidemann.
Enkele van de belangrijkste out-of-the-box functionaliteiten van WebSphere Commerce die Kramp gebruikt, zijn het cataloogsysteem, marketing- en membermanagementfunctionaliteit, beveiliging, prijslijsten, betalingen en takscalculatie. “Wat de beveiliging betreft: iedere gebruiker heeft zijn eigen account. We kunnen aan een gebruiker bepaalde rollen toewijzen. Zo hebben we voor onze klanten bijvoorbeeld de functie van ‘client administrator’. Deze medewerker is de enige persoon die in zijn firma nieuwe accounts voor collega’s kan creëren.”, haalt Thomas Weidemann aan. “We hebben een mastercatalogus opgezet die alle verschillende Stock Keeping Units (SKU’s) bevat. Die mastercatalogus is opgesplitst in meer dan twintig verkoopscatalogi, want een bepaald product wordt bijvoorbeeld wel in het Verenigd Koninkrijk, maar niet in Frankrijk verkocht.”
Thomas Weidemann: “Voor de externe interfaces gebruiken we het traditionele http-verkeer. Daarnaast hebben we ook webservices voor de functionaliteit die we intern gebruiken voor externen beschikbaar gemaakt. Klanten kunnen dus onderdelen van onze oplossing gebruiken via hun ERP-systeem, bijvoorbeeld voor het opvragen van de voorraadniveaus, de nettoprijzen of het bevestigen van orders.”
Het e-business-team tracht zo veel mogelijk standaardsoftware te gebruiken en enkel waar nodig uitbreidingen of customisaties te vragen. Als er toepassingen op maat worden gemaakt, moeten die bovendien aansluiten bij de ‘best practices’ die IBM formuleert, om de migratie naar de volgende versie te vereenvoudigen.
T. Weidemann: “We gebruiken 90% van het IBM-datamodel en hebben 10% tabellen toegevoegd die niet in het standaardpakket zaten. Als we kijken naar de businesslogica, dan is de verhouding tussen standaard- en maatwerksoftware 60/40. Het beeldscherm, wat de gebruiker uiteindelijk ziet, is 100% Kramp. We hebben daar bewust gekozen om niet de IBM starter store interface te gebruiken. Op het moment dat wij de beslissing namen voor onze nieuwe e-commerceoplossing voldeed die interface niet aan onze noden. Intussen heeft IBM heel wat verwezenlijkt op dit gebied, waardoor we vandaag misschien een andere keuze zouden maken.”